Vandaag stond ik oog in oog met een tsunami.
Terwijl ik deze woorden intoets schiet de bliksem hels over mijn scherm, gevolgd door een ratelende donderslag en kletterende regenval, de prijs voor een weekendje zomerse temperatuur. Mijn roodgetinte huid de voorbode van mokkabruin, de twintigplusser in Celsiusgraden een belofte naar méér, naar véél meer…
Om de weergoden zand in de ogen te strooien had ik me een veelkleurig extra large regenscherm aangeschaft en dit grijpensklaar in mijn automobiel geborgen. Met afgunstige blik op de gigantische vissersuitrusting, zocht ik de afgelopen weken beschutting onder mijn aftands minuscuul exemplaar met geknakte baleinen, resultaat van het verloren duel met de wind. Door piepkleine gaatjes in de impermeabele stof sijpelde het hemelsvocht onbarmhartig op mijn hoofd.
In het meervoud eigenlijk, want we deelden de paraplu, mijn jongste en ik…
Heden ben ik uitgerust met zonneglazen, gemonteerd op mijn bril. Meer zelfs, een witte zonneklep siert mijn hoofd. Potsierlijk, vermoed ik, maar zeer doeltreffend, want hoe zonminnend ik wel mag wezen, achter het stuur heb ik Laura niet graag in het vizier. Ze kan me immers danig vermoeien.
Aan de rand van het tartanovaal geniet ik van de prestaties van de Racingers. Ze lopen, springen, werpen dat het een lieve lust is. Acht kampioenen op dag één en tien op dag twee, schitterend toch! Een veelbelovend aanloopje naar de nakende Bekers van Vlaanderen…
De tsunami van vandaag heeft echter geen uitstaans met dit sportief gebeuren.
Na mijn nachtdienst geniet ik van een heel aangename, rustige ochtend. Mijn pappenheimers zijn om het allerliefst. Sooi vertrekt welgemoed samen met mijn collega naar het station, Merci en haar compagnon worden tijdig opgehaald voor een familiefeest, Flup laadt zijn flessen wijn voor de verjaardag van zijn mama zonder brokken in de koffer van de chauffeur, Riebe en Abel vertrekken te vroeg naar de kerk en arriveren toch te laat, want het is Plechtige Communie en de mis duurt lang maar daarom niet getreurd want het is plezant.
Ik kan één van de kerkgangers moeiteloos warm maken voor een tripje per fiets naar de buurtwinkel. Ik heb sla noch tomaten in huis, en die staan op het menu. Ik maak een overheerlijke salade, met pijpajuin en rucola en kruidige dressing.
Ondertussen staat de soep te pruttelen.
Zou de soep moeten pruttelen.
De soep van gisteren.
Die vandaag nog rijker van aroma zou wezen.
Tiens, er broebelt niets. Echt niets.
Staat het vuur wel aan?
Ik roer.
Geen spoor van verhittingsactiviteit.
Ik roer nogmaals.
Plots spuit het hete groentenat wild in ’t rond.
Inderhaast verplaats ik de pot naar een ander kookvlak.
De inhoud bruist over de rand.
Ik verhuis naar een ander vlak.
Gulpen tomaat vliegen in het rond.
Op het fornuis, de muur, de vloer…
’t Is precies een vulkaanuitbarsting.
Ik blus met een gulp koud water.
Er komt terug rust in de ketel.
Maar de soep met vermicelli van gisteren blijkt oneetbaar.
Aangebrand.
Het navenante liedje spookt door mijn hoofd….
En de troostprijs is: een dubbele portie saté plus dessert.
Het leed is geleden, de spetters weggeschrobd, de tsunami verleden tijd…