November feelings

“Heeei… da’s precies familie van Noewi!” De zwarte kat met witte sokjes heeft wel wat weg van die van ons, alleen is hij wat voluptueuzer.
“En ’t is een brave, zenne…”
De frèle witharige dame in lange jas merken we nu pas op.
“Ik kom hier zeker twee keer per dag. ’s Morgens krijgt ze vlees en ’s middags korrels. En ze wéét het hé…”
Ze maakt een vage beweging met haar hoofd.
“Ik kom hier voor mijn zoon hé, ’s morgens en ’s middags. Ik kan het niet laten… En een beetje verder ligt mijn man, hij was maar tweeënvijftig…”

We hebben tijd en we luisteren. We krijgen een inkijkje in haar leven dat zich in verscheidene landen afspeelde, van Zaïre naar Joegoslavië, via Frankrijk en wat al meer. Voor de overplaatsing naar India vroegen ze even respijt, hij voelde zich niet goed. Vier maanden ziekenhuis in Utrecht, het leerde haar veel over die verschrikkelijke kanker. Van hoop op genezing, hervallen en uitzichtloosheid.

Ze vertelt over haar vaders ziekte en haar moeder die met hem afgleed. Hoe zij enkele dagen na diens overlijden na een banale verkoudheid het leven liet. Te voorspellen en te aanvaarden bij de ene, onbegrijpelijk bij de ander.

Maar alle pijn valt in het niets bij het verlies van haar zoon. Vijftig was hij. Haar enige kind. Geen kleinkinderen. Na eenentwintig jaar gescheiden. Zijn laatste jaren bij haar doorgebracht. Haar helblauwe ogen ijlen in het niets…
Het geeft haar een doel, hier dagelijks te passeren.

De katers worden hier gesneden, weet ze nog te vertellen; de poezen gesteriliseerd. Dat is een maatregel van de gemeente. Ze kent ze allemaal, ze wonen hier, zijn hier geboren. In haar handtas ontwaar ik een zak kattenvoer. Op een zerk een hoopje korrels waaraan de robuuste uitgave van Noewi zich te goed doet.
“’t Is een goestendoener den dezen…”
Of ze dat niet allemaal zijn, denk ik luidop, met in mijn hoofd, het thuisfront…
Nee dus, volgens haar…

Zo kabbelt het gesprek verder. Ook mijn dochter is een heel bereidwillig luisteraar. Waar ze vandaan komt, polst ze?
Dochter: ik ben Belgisch!
Nee, haar roots?
Dochter: mijn papa komt uit Kameroen.
Ze is hier geboren, zeg ik ten overvloede.
Maar het ontgaat haar dat ze mijn eigenste dochter is. Ik duid het haar niet ten euvel.
Mijn koffie met melkje, velen denken dat ze geïmporteerd werd, terwijl ze toch mijn vlees en bloed is…

We nemen afscheid en hervatten onze speurtocht naar het verleden.
Het voelt doods aan, onze weg langs de muur. Somber, kil, kaal, verlaten. Nochtans ademde de hoofdweg een andere sfeer uit. Majestueus, rijkelijk, herdacht. Wie zich hier een monument kon veroorloven was niet min, vermoed ik.

Op zoek naar aanbieders van bloeiende planten bevinden we ons een beetje uit onze normale route. Eens Allerheiligen voorbij is het voor de nering blijkbaar oninteressant nog aanwezig te zijn. Noch aan het hoofdportaal, noch aan de zijingang staan chrysanten te koop. Zelfs in de aanpalende straten is geen winkel open.
“’t Is de intentie die telt,” vindt dochterlief, dus rest me niets anders dan het graf van mijn vader van ongewenste grashalmpjes te ontdoen. Ooit herplantte ik hier een stukje van mijn tuin. Het doet deugd te zien dat het ook hier groeit en bloeit.
Het graf van mijn moeder verdween een tijdje geleden.
De dag dat ik dit ontdekte was een schok. Als een kieken zonder kop liep ik in ’t rond op zoek naar haar zerk. Het leek zo onwerkelijk maar ze was weg!

De plakkaten met de mededeling dat de concessie beëindigd was had ik wel gezien. Daar maakte ik me geen zorgen om. We hadden immers net betaald. Jaren geleden hadden we gevraagd om de concessie van moeder en vader, die met zeventien maanden verschil overleden waren, tezamen te mogen vernieuwen. Op de een of andere manier was daar iets fout gelopen. De grafsteen van mijn moeder ging onherroepelijk naar de sloper…

We lopen ook even aan bij Ebenezer, de vriend van papa. Eenenveertig was hij. Elk jaar opnieuw lopen we tussen de bijenkorven. Zo noemen we ze, die zeshoekige urnen. We lezen de opschriften, genieten van de bloemen en de kleine attenties. Dit keer ben ik opmerkzaam voor mensen van mijn geboortejaar, of daar omtrent. Schrikbarend hoeveel ik er reeds heb overleefd. Mijn missie is nog niet voleindigd, dat gevoel heb ik toch. Ik hoop dus dat ik nog vele jaren tegoed heb…

 

Eerder gepost op http://blog.seniorennet.be/zabrila_en_konstantijn

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Leven

Ontboezemingen

Het is de periode van het jaar dat het vroeg deemstert. Jongleren met theelichtjes. Lange tafelgesprekken. Spelletjes.
Tijd dat we de aandacht meer naar binnen richten.
Een blauwrood boekje sluipt mijn herinnering binnen. “201 vragen om je ouders beter te leren kennen”. Draaide je het om naar de blauwe zijde dan kreeg je legio kansen om je kind te doorgronden. Niet dat het voor ons drieën een must was, want om gespreksonderwerpen zaten we nooit verlegen. Maar het was eens een andere invalshoek.

Nu kreeg ik enkele dagen geleden een soortgelijk vragenlijstje toegestuurd, volledig ingevuld zelfs. En al zijn zo’n vragen doorgaans niet aan mij besteed, naarmate ik verder las, kon het me meer en meer bekoren waardoor ik voldeed aan het verzoek. De grootste verrassing waren de binnensijpelende verhaaltjes, dikwijls grappig, soms ontroerend.

Ariadne gaf me carte-blanche, ik mocht ervan profiteren, een buitenkans dus, en meer aansporing heb ik niet nodig…

Wat ze wilde worden toen ze klein was?
Tja, ze dierf het nauwelijks op te schrijven … nonneke bij de zwartjes en dan nog het liefste bij de melaatsen. Dat was in haar prille periode voor ze zich bewust werd van het mannelijke geslacht.
Daarna wou ze eigenlijk spraaktherapeute worden, maar dan liefst zo eentje die wonderen verrichtte met kinderen die rechtstreeks uit de jungle kwamen, en er zou dan een schone, ontroerende film over gemaakt worden.
Dokter sprak haar ook aan, maar dan in ongure gebieden, omgeven door gesluierde mannen. Ze zou dan opereren onder barre omstandigheden en al die schone mannen zouden verliefd op haar worden.

… Alle ingezonden toekomstdromen zijn eigenlijk verrukkelijk…

“Als kleuter en lagere schoolkind was ik een bekend gynaecoloog in de straat.”

“- eerst (mij ingelepeld door mijn moeder): huishoudkundige regentes
– dan: (mij lichtjes aangeraden door de zusterkes) non
– toen: (onder invloed van de boekskes) binnenhuisarchitecte
– helaas of gelukkig heb ik al die dromen opgegeven ;-)”

“Ik moet één keer gezegd hebben dokter en dat hebben ze bij ons zo dikwijls herhaald dat ik niets anders meer durfde worden, eigenlijk zou ik archeoloog of bibliothecaris en enig personeelslid van een enorme bibliotheek op een onbewoond eiland willen geweest zijn.”

“In mijn kleinte was ik timmerman, sportman, genekoloog (na een tijdje huisdokter geweest te zijn), maar eigenlijk wou ik schoolmeester worden. Maar op mijn achttiende heb ik getwijfeld tussen pedagogiek en textiel …”

De herinneringen aan de kindertijd moeten hiervoor niet onderdoen.

“Buiten mijn bloeiende dokterspraktijk (zie vraag 29) heb ik heerlijke herinneringen aan de ongedwongen SPEELtijd van toen. Heelder dagen ravotten op het pleintje in het midden van onze sociale woonwijk met een massa kinderen. De verhaaltjes die onze va vertelde. Hij zat in de gang op de pispot en vertelde terwijl de drie kamerdeuren open stonden zodat iedereen kon meeluisteren.”

“Ik heb zoveel goede herinneringen want ik had een zeer mooie jeugd, omringd door fantastische mensen. Ik kan echt geen keuze maken…
Misschien toch ééntje: in de winter kroop ik soms in bed bij mijn papa en ik vroeg dan steeds om hetzelfde verhaaltje te vertellen… over een paardje dat verloren liep in het bos, gevangen genomen werd door gevaarlijke mannen (veedieven dus maar dat was toen een moeilijk woord) maar op het nippertje gered werd door zijn papa en zijn mama; ik kon daar eindeloos naar luisteren…”

“Moeilijk uit te leggen aan stadsmensen : het spelen in ons zandkot in het bos. Of een spannend boek uitlezen: zalig!“

“Toen ik aan ons buurvrouw wijsmaakte op zevenjarige leeftijd dat ik van thuis een “export” mocht drinken, die ik dan nog kreeg ook en waarbij ik steenzat naar huis kwam.”

“Mijn naarste, walgelijkste herinnering komt onmiddellijk naar boven, maar de leukste is moeilijk. Ik herinner me wel de geboorte van mijn jongste broer. Vader kwam ons wakker maken en ik zag broertje in bed liggen in de arm van mijn moeder en ik was op slag verliefd. Hij werd ‘mijn’ baby alhoewel ik nog geen vijf jaar oud was en dat is altijd zo gebleven.”

“Die onbezorgde ongelooflijk gewone jeugd … spelen, vallen, opstaan, blijten, lachen, vechten, naar verhalen luisteren, verliefd worden op de non in de kakschool, …”

Ook de auto-ongelukken doen veel schrijfstof opdwarrelen.

“In 1988 werd ik in Gent aangereden door de persattaché van toenmalig premier Wilfried Martens in een dikke Volvo. Achteraf bleken de vakken A en B op de ingevulde papieren op mysterieuze wijze verwisseld te zijn. Ikke voor de rechtbank. Alles werd daar geseponeerd. Raar hé ? In 1991 reed aan de lichten van de Makro in de dichte mist een vrachtwagen in het gat van mijn Skodaatje. De bumper van de vrachtwagen zat net achter mijn rug. Veel geluk gehad toen en mijn Skodaatje rijp voor de sloop. In 2001 reed ik een fietser omver en in 2004 deed ik dat nog eens over. Beide keren was de fietser (gelukkig niet ernstig) gewond.”

“Mijn beste prestatie was het in prak rijden met een Toyotaatje (ingedeukte motorbehuizing) van een Ferrari (perte totale) met alleen al een geluidsinstallatie van 200.000 bfr. Die snotneus die dat masjien bestuurde kwam dan nog van rechts.”

“Een plots overlopende boom deed mijn spiegel eens vliegen. En een geparkeerde auto (ook niet gezien) en een mens die plots achteruit reed aan een kruispunt. (was uiteindelijk het einde van mijn vorig Opelleke)”

“Ik vermeld er ééntje: ik reed met mijn tweepeekaatje naar een tante. Plots zag ik iets groot en zwart, hoorde een harde knal en kwam tot stilstand… Ik was tegen een loslopende bouvier gereden. De viervoeter liep met veel gejank weg en ik belde naar mijn pa om me te depanneren.”

“Een tiental keer ben ik genomen, zowel langs voor en achter en je gelooft het of niet, op 1 keer na lag ik niet aan de basis. Hout vasthouden.”

Toegegeven, allemaal reacties om van te snoepen, hé!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Leven

Bibavond

Behoedzaam rijd ik het busje uit de carport. Achterwaartse manoeuvres zijn nooit mijn sterkste punt geweest en sedert de aanvaring met een paal die het vertikte in mijn achteruitkijkspiegel te verschijnen, ben ik dubbel op mijn qui vive. Het was een erg robuuste paal, van matglanzend staal, zonder enige deuk, maar gele verfresten toonden aan dat dit niet de eerste confrontatie was. Hij stond daar in zijn eentje, schijnbaar doelloos, voor de ingang van het warenhuis geplant. Als een lijfwacht, om het gebouw tegen eventuele aanranders te beschermen en de eerste klappen op te vangen.

Het is moeilijk manoeuvreren vanavond. Op vergaderdag staat de parking immers steevast eivol en nu is het bovendien stikdonker. Maar zonder kleerscheuren rij ik even later gezwind de weg op, richting stad. Rondom mij wordt er genoegzaam gekeuveld en gelachen. Ze zijn in de mood.

Ons speciale plaatsje voor de bib is gelukkig nog vrij.

Met een brede zwaai opent Jobbe mijn portier. “Wat ben je toch een galante ridder,” zeg ik als vanouds, maar toch waarderend. Deedee staat aan de andere kant te giechelen. Ze heeft wat hulp nodig bij het uitstappen. Niet bepaald geluidloos maken we onze entrée.

“Katrien, ge zijt schoon met uw rok!”, schettert hij zonder enige schroom. Een compliment, recht uit zijn hart.

Hij gaat even opzij om Greet te monsteren, maar zij draagt een broek. Valse loftuitingen zijn niet aan hem besteed. Ook vandaag “vergat” hij een DVD waar hij moeizaam afscheid kan van nemen. In zijn beleving is het “zijn” materiaal, dat hij noodgedwongen en uit goedertierenheid uitleent.

Het wordt straks weer onderhandelen, want hij heeft te veel CD’s uitgekozen. Maar Greet kan dat ongelooflijk goed. Nadrukkelijk tellen, de keuzes beperkt houden, soms al eens water bij de wijn doen, vriendelijk en respectvol. We voelen er ons echt welkom.

Op de terugweg verzucht Jobbe dat hij graag iemand zou vastpakken. Om te knuffelen. Hij gaat de mogelijke kandidaten in gedachten af. Merci? Geen denken aan! Maar Angelique ziet hij wel zitten. Wat hij wel precies wil? Een aai over zijn bol?

Terwijl we afdraaien naar de hoofdweg passeren we een winkel met bruidskledij. Dàt zou hij wel willen, zo’n schitterend witte jurk, met uitwaaierende rok. Voor Maroesjka, zijn vriendin.

Lang blijft hij niet mijmeren.

Hij vraagt wat mijn kinderen nu aan het doen zijn. Aan het werken voor school? Of zitten ze al in pyjama? Hij probeert zich een beeld te vormen van mijn leefwereld. Dan springt zijn aandacht weer op iets anders. Hij gaat me een spuitje geven. De anderen zitten al te gniffelen, weten wat er volgt. In mijn poep. Jaja, in mijn poep, met een grote spuit. Zo zwanzen we wat heen en weer. Een soort van humor waarmee ik thuis niet kan scoren. Niet meer…

16 reacties

Opgeslagen onder Werk

Nieuwe horizont


Gemiste oproep: “Ik heb de hele tijd verkeerd gelopen.”
Uur van verzending: 10.15u
Leesmoment: een half uur nadien.
Enkele tijdseenheden later tracht ik een telefonische connectie tot stand te brengen. Tuut… tuut… tuut…
“Sapperdenondebollekens”, schiet het door mijn hoofd, want vloeken doet een dame niet luidop. “Volgens mij heeft hij zijn introductie gemist!” De relevante informatie had ik nochtans met fluo aangestift, voor het geval dat mijn mondelinge boodschap de mist inging.


Een heel weekend blijf ik op mijn honger zitten en heb ik het raden naar de precieze omvang van dat abusief lopen. Het klinkt vergezocht, maar stel je voor dat hij ontvoerd is, dan weet ik dat pas zeker na een drietal dagen. Mijn gezond verstand beteugelt meteen mijn fantasie. Het idee alleen al! Bovendien heb ik heel wat om handen om mijn zinnen te verzetten.

Ettelijke kilometers verslinden bijvoorbeeld om dochterlief deel te laten nemen aan een atletiekmeerkamp. Twéé dagen ben ik er zoet mee. En de zondagavond vul ik met lonende arbeid. Dit impliceert uiteraard niet dat mijn strijk en andere huiselijke plichtplegingen van nul en generlei waarde zijn.


Hij liep inderdaad een fout parcours. Eens gesetteld in het auditorium, die vrijdag, vond hij dat men toch ver vooruit dacht. Na een tijdje daagde het dat hij zich niet tussen bachelors bevond, maar temidden masters! Na een switch werd alles veel duidelijker.

Zijn zak voor het weekend was op een tiental minuten klaar en naar hij later verklaarde was hij niets vergeten. Ik had er nochtans op gehamerd deze de dag voordien te prepareren! Hij was honderd procent tevreden over deze driedaagse met de studentenvereniging zijner faculteit, al speelde hij daar zijn gsm, eigenlijk de mijne want de zijne is in reparatie, kwijt.


Vandaag was zijn eerste postsecundaire schooldag. Hij begon niet om 8.30u zoals hij reeds vijftien jaar gewend is. Hij kon uitslapen, hij werd pas om één uur in de namiddag verwacht op een locatie die hij nog in allerijl diende op te zoeken.
Hij kwam onverwacht thuis ook want het volgende college – zeg niet “les” – was een uur verlaat. Zijn uurrooster loopt drie keer per week uit tot kwart voor zeven waardoor hij een kruis diende te maken over zijn basket.


Het was interessant, vond hij, dat eerste college. Over het volgende was hij minder positief want daar werd hij geconfronteerd met een ideeëngoed waarmee hij zich niet kon vereenzelvigen, alhoewel hij zich ervan bewust is dat hij alles dient te relativeren.
Hij is van plan zich in te zetten wat niet automatisch inhoudt dat hij alle colleges zal volgen. Ik ben benieuwd.


Het is niet echt visueel. Maar toch lijkt hij me gegroeid… Mijn zoon met nieuwe horizonten.

21 reacties

Opgeslagen onder Leven

Grand-mère

Ze speelden in de lommer, onder de lage, grillig uitgestrekte takken van de grote knoestige boom. Met twijgjes en keitjes trokken ze tekeningen in het mulle zand. Ze waren zo verdiept in hun spel dat de inval van de soldaten hen volkomen verraste. In paniek sprongen ze recht, keken verwilderd rond, speurend naar een vertrouwd gezicht en renden elk een andere kant op. Waar in vredesnaam waren papa en mama? De chaos was compleet.


Het duurde niet lang of hij werd gevat. Mannen en jongens werden meedogenloos afgeslacht. Ook de kleintjes, want dat waren de toekomstige rebellen. Het kwaad diende uitgeroeid tot aan de wortel. Maar de vierjarige jongen werd gespaard. Op de een of andere manier wekte hij sympathie bij de commandant.
Hij werd naar diens afgelegen dorp afgevoerd en, weliswaar als gevangene, bij de familie ingelijfd. Zijn vrouw was echter helemaal niet gecharmeerd door het knaapje, integendeel! Ze had ronduit een hekel aan hem en verdeelde zijn portie eten onder de andere kinderen. Hij diende zich tevreden te stellen met het afval.
Er was nog iets dat hem verwarde. Dorpsgenoten waren gepasseerd, maar weigerden hem te (h)erkennen uit angst voor represailles. Niemand wou gelieerd worden aan een partij die bij wet verboden was. Er was immers slechts één juiste en ware, en dat was de regerende.


Toch was er iemand die haar leven veil had voor het zijne. Ten langen leste kwam ze te weten waar hij zich bevond. Dagen was ze onderweg, te voet, onder de brandende zon. Intimidatie en vijandigheid waren haar deel, maar ze liet zich door niets of niemand afschrikken. Uiteindelijk won ze het pleit en kon ze haar kleinzoon meenemen. Naar huis, haar geboortedorp: le village maternel.


Haar leven ging niet over rozen, maar toen ik haar ontmoette, jaren geleden, plukte ze de vruchten van dat leven. Ze had zeven kinderen grootgebracht en vele klein- en achterkleinkinderen gekoesterd en verzorgd. Haar taak was volbracht, en nu had ze recht op een “retraîte”. Ze verbleef nu eens bij de ene dochter, dan bij de andere, bij de ene zoon op het platteland of de andere in de hoofdstad. Maar overal was ze geliefd en werd ze met respect bejegend. De wijsheid en ervaring die ze in de loop der jaren vergaarde gaf haar recht op achting en aanzien.


Dat rijkgevulde, lange leven, waaraan een einde is gekomen, is nu aanleiding voor een groot feest. Vijfennegentig of zesennegentig is ze geworden, of misschien wel honderdenvijf, volgens de berekeningen van haar naasten. Een geboortedatum is ginds niet zo belangrijk, verjaren nog minder want dat is geen verdienste, dat komt immers vanzelf.
Opgebaard voor het huis waar ze haar laatste dagen sleet zal ze op het eind van deze maand het middelpunt zijn van grootse feestelijkheden. De volgende dag wordt dit in haar geboortedorp nog eens overgedaan waarop ze de daaropvolgende dag aldaar begraven wordt. Terug naar waar het leven ooit begon.


Ik zal de herinnering aan deze grote dame, doch klein van gestalte, koesteren zolang ik leef. Haar naam onuitwisbaar in mijn hart: Ngo Banyolack Marthe…

10 reacties

Opgeslagen onder Leven

Broebelen


Het broebelt. Het borrelt. Het baart wilde golven.
De motor maakt een snerpend geluid. Allesbehalve rustgevend en allerminst geruststellend.
Ik druk op de knop. Stop.
De woeste baren verstillen tot rimpels die zachtjes tegen de rand kabbelen.
Ik duw nogmaals. Het spiegelende oppervlak breekt en deint alle kanten uit. Ik ben tevreden, spuitend en spuwend circuleert het water en reinigt alzo het inwendig systeem.

Plots zie ik het peil zakken. Ik heb toch niet per ongeluk de stop uitgetrokken? Gelijk mijn zoon roept dat het water de keuken instroomt, hóór ik het ook. Ik rep me naar beneden. Door het plafond, de keukenkastjes, de dampkap, over het fornuis, de microgolfoven en wat al niet meer vloeit een ware vloed.

In allerijl trek ik twee emmers van onder de gootsteen en daver de trap terug op naar de badkamer. Ik ruk het stopsel eruit, zodat het badwater op reguliere wijze de afvoer in kan, zwiep een recipiënt het bad in en kieper deze uit in de douche. En in de lavabo. Afwisselend. Eens het water onder het niveau van de spuigaten gezakt is ren ik naar beneden om de schade op te nemen.

Onder de badkamer bevindt zich immers de zekeringkast. Ook daar druipt het.
Het zijpt zelfs door de rolluikkast. De kelder staat onder. Een piepkleine, vernuftig volgestouwde ruimte van nog geen drie bij twee meter. Hij bergt drie fietsen, die – jawel – droog bleven. Ook de wasmachine, diepvries en de splinternieuwe droogkast hadden amper te lijden maar staan in een grote plas pootje te baden. De voorraad levensmiddelen kreeg evenwel een douche, voornamelijk conserven gelukkig, de dozen pasta, rijst en bloem ontsprongen de dans!
Een bokaal gele verf spat in gruzelementen op de vloer. Ook dàt nog!

Mijn zoon heeft een doek – een grote bàdhanddoek – over het televisietoestel en aanverwanten gezwierd want in de living gutst de nattigheid over de dieprode muur. De stekkers heeft hij veiligheidshalve uitgetrokken.

Ik ben met dweil en microvezeldoeken in de weer wanneer ik het plots in mijn nek voel druppelen. Vol afgrijzen zie ik het water uit de transformator aan het keukenplafond sijpelen. Als dat maar goed afloopt! Een emmer eronder en het licht mag onder geen beding aan! Ik sleep de staande lamp uit de zithoek de vijf trapjes op, het begint al te schemeren…

In de badkamer zelf is van de zondvloed niets te bespeuren, het onheil voltrok zich ongezien onder de kuip, waar de leidingen van het bubbelsysteem het begaven. Nooit heb ik ten volle kunnen relaxen temidden van de broebels. Het bad diende tot de rand gevuld vooraleer het mechanisme in gang schoot, terwijl ik me huiverend afvroeg hoeveel kilos zich samenbalden op één vierkante meter, en mijn eigen aandeel was al niet min! Bovendien kon ik die elektriciteitskast onder mij niet wegdenken. Ik heb het geprobeerd met theelichtjes, zachte muziek, aromatische oliën, een nekkussentje en een boek.

Ik ben geen mens voor een bad, daarvoor ben ik te ongedurig.
Maar nu ik er geen kan nemen, gegarandeerd dat ik er zin in krijg…

5 reacties

Opgeslagen onder Leven

Jobben

Een heel jaar had hij de verdiensten van vorig jaar veilig gesteld op zijn spaarboekje. Veel was het niet. Vier dagen arbeid. Eén derde had hij aangesproken om een stuk festivalfestijn te bekostigen.

Zich lang op voorhand engageren voor een vakantiejob vond hij riskant. Het jaarlijkse tiendaags stedelijk evenement wou hij voor geen prijs missen. En dat weekend en die midweek wou hij vrijhouden voor deze of gindse festiviteit.

Het aantal vrije dagen dat hij alzo beschikbaar was voor de arbeidsmarkt leek wel op een homp gruyère. Ik zag zijn kansen vrij somber in.

Wou hij deze verhogen dan diende hij zich in meer dan één interim-bureau in te schrijven. Life. Tot nog toe beperkte zijn activiteit zich tot het online invullen van selectieprocedures. Maar nu zou hij zich dus in levende lijve presenteren. Hij koos hiervoor een zaterdag. Vijfdagenweek, en uiteraard niet één agentschap open.

“Mam, wat is mijn SIS-nummer?”

“ Welke bankrekening moet ik opgeven? Geef eens het nummer…”

Veel heen- en weer getelefoneer later ondertekende hij uiteindelijk een proefcontract voor drie dagen. Kon hij met een boormachine overweg? Uiteraard! (Hij zou thuis wel even oefenen) Was hij een beetje handig? Natuurlijk! (Oeioeioei) Kon hij rubbers lijmen? (dat leek hem geen probleem) Er was alleszins niets mis met zijn zelfbeeld.

Ondertussen kreeg hij andere werkaanbiedingen die hij frivool van de hand wees.

Een dag voor zijn vakantiejob inging, belde men dat deze intern via verschuivingen ingevuld kon worden. Hij mocht zijn contract vernietigen.

Niet correct, dacht ik, en ik liet zoonlief, die alles als zoete koek geslikt had, terugbellen. Ze zullen één dag uitbetalen, kwamen ze overeen.

Hij content. Geld verdienen zonder er iets voor te doen, leek hem de max. Eerst zien, dan geloven, dacht ik.

Een poos later was hij in onderhandeling voor een poetsopdracht. Voor twéé dagen.

Het contract was nog niet ondertekend op de aanvangsdatum. Ze waren vergeten het op te sturen, zegden ze. Hij mocht gerust zijn, op zijn twee oren slapen.

Om goed beslagen ten ijs te treden was ik reeds poolshoogte gaan nemen: waar bevond zich zijn werkplek? Het was het laatste van mijn zoons zorgen, al was hij uiteraard ingenomen met mijn informatie, die hij niet eens voetstoots aannam.

Hij memoriseerde alzo de verkeerde straat. Arriveerde gelukkig toch op tijd. Ik had op voorhand gezegd, dat hij tijdig diende op te staan. Dat hij niet op mij moest rekenen. Ik zou mijn wekker niet instellen. Maar die ellendige inwendige klok van mij! Een marge van twintig minuten geef ik hem, gooide ik het op een akkoord met mezelf. Eens die verstreken, kon ik het niet laten om hem uit bed te trommelen, al dreunde in mijn hoofd de mantra “zijn verantwoordelijkheid, zijn verantwoordelijkheid”…

Die dag was er op zijn werkplek nergens iemand te bespeuren. Ten langen leste belde hij het opgegeven nummer. Men was verrast, had hem niet verwacht. Hij kreeg na een half uur wat richtlijnen, maar eens die persoon weg was, ging het alarm af. Een half uur lang. Stel je een politie-invasie voor, wat moest hij zeggen? Gelukkig was het na dertig minuten stil, of verontrustend stil, wie zal het zeggen.

De onbekende, ondefinieerbare geluiden in het verlaten gebouw, het voelde eng aan. Het was nog vroeg, zes uur in de morgen.

Vanaf acht uur kwamen andere werknemers.

’s Avonds herhaalde zich hetzelfde scenario. Hij vond het best griezelig zich te realiseren dat hij zelfs niet weg kon, als iedereen verdwenen was. Zelfstandig kon hij niet binnen, maar ook niet buiten.

Thuis wou hij zijn kuiservaring demonstreren. Hygiëne, daar draaide volgens hem alles om. Met twee handen werken. Met de ene de plumeau, de andere de microvezeldoek. Opruimen was niet nodig.

Zo kwam hij in aanvaring met mijn dochter die er een andere theorie op na hield. Zij is een aanhanger van de methode alles buiten zetten en daardoor ruimte creëren om grondig te poetsen.

Mijn zoon, een voorstander van de afgelijnde taak, mijn dochter, met het motto, doorgaan tot het bittere einde. Al is dit laatste te relativeren, uiteindelijk ben ik diegene die hun (poets)troep dien op te ruimen…

12 reacties

Opgeslagen onder Leven